In dit arrest doet de Hoge Raad een belangrijke uitspraak over de tweedegraads bestuurdersaansprakelijkheid. Met de tweedegraads bestuurdersaansprakelijkheid wordt bedoeld de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon die op haar beurt weer bestuurder is van een andere rechtspersoon.

Over deze aansprakelijkheid bepaalt artikel 2:11 BW:

“De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.”

Met dit artikel in de hand kunnen de bestuurders van een besturende rechtspersoon aangesproken worden naast de besturende rechtspersoon zelf.

Lange tijd werd gedacht dat deze bepaling zich enkel uitstrekte tot de in artikel 2:9 BW geregelde interne bestuurdersaansprakelijkheid (de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de rechtspersoon) en niet tot de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens derden op grond van onrechtmatige daad. Reden daarvoor was de in de zogenaamde Beklamel rechtspraak ontwikkelde noodzaak een persoonlijk en ernstig verwijt te kunnen maken aan de bestuurder.

In dit arrest leert de Hoge Raad dat artikel 2:11 BW ook de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad naar de tweedegraadsbestuurder doorschakelt. De HR beslist: “dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

Het persoonlijk en ernstig verwijt speelt nog wel een rol. Echter wordt die rol omgedraaid. Niet de eisende partij dient de aanwezigheid van een dergelijk verwijt te stellen en te bewijzen maar de tweedegraads bestuurder de afwezigheid daarvan. Deze bewijslastverdeling doet volgens de HR recht zowel aan de ratio van art. 2:11 BW als aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW.