Vorige week heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over het ‘slapend dienstverband’. Er is namelijk bepaald dat een werkgever een langdurig arbeidsongeschikte werknemer in principe niet tegen zijn zin 'slapend' in dienst mag houden. Dit werd doorgaans gedaan om betaling van de transitievergoeding te ontlopen.

De uitspraak  komt erop neer dat een werkgever op basis van 'goed werkgeverschap' een langdurig arbeidsongeschikte werknemer die vraagt om beëindiging van zijn dienstverband en om uitbetaling van de transitievergoeding, niet in een slapend dienstverband mag houden. Daar staat tegenover dat de werkgever de door hem te betalen vergoeding kan verhalen op het UWV. Dit wordt echter wel beperkt tot het bedrag dat de werkgever verschuldigd is op basis van een termijn van twee jaar ziekte. Een transitievergoeding die wordt opgebouwd na dat tweede jaar, komt niet voor vergoeding door het UWV in aanmerking. 

De invloed van de Wet compensatieregeling transitievergoeding

Er zijn momenteel enkele duizenden werknemers die (tegen hun zin) een slapend dienstverband hebben. In één van de rechtszaken over dit thema werden er vragen gesteld aan de Hoge Raad. Doel van dit soort vragen is dat ons hoogste rechtscollege duidelijkheid schept over de regels. Deze duidelijkheid is nu dus gegeven. Dat een werkgever een slapend dienstverband behoort te beëindigen als hij geen redelijk belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst én dat hij hiervoor in principe een vergoeding moet betalen, baseert de Hoge Raad op de Wet compensatieregeling transitievergoeding. Deze wet regelt vanaf 1 april 2020 een compensatie aan de werkgevers van de vergoedingen die zij sinds 1 juli 2015 hebben betaald bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Met de wet wil de regering een einde maken aan slapende dienstverbanden.

Einde slapende dienstverbanden leidt tot zelf eerst te betalen hoge kostenpost

Gevolg van deze uitspraak is dat veel werknemers, al dan niet opnieuw, een verzoek zullen indienen bij hun werkgever om het dienstverband te beëindigen. Daarbij zullen zij vragen om uitbetaling van de transitievergoeding. Als er geen sprake is van een uitzonderingssituatie die het slapend dienstverband rechtvaardigt (b.v. een serieuze kans op herstel), zal de werkgever aan het verzoek van zijn werknemer moeten gaan voldoen. Voor werkgevers die veel werknemers slapend in dienst hebben gehouden, kan het arrest in eerste instantie tot een flinke kostenpost leiden. Wel moet worden opgemerkt dat de uitbetaalde vergoeding bij het UWV kan worden geclaimd. Er moet echter wel eerst worden voorgeschoten. Maar let op: het deel van de transitievergoeding dat is opgebouwd na twee jaar ziekte, komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Voor de beoordeling van de noodzaak van de betaling, de berekening van de vergoeding en de verdere administratieve afwikkeling, staan wij u graag bij.


Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019.