Inmiddels het achtste artikel in de ‘Leren reorganiseren’-reeks. In het zevende artikel hebben wij – in het licht van de ontslagvolgorde – de peildatum besproken. Vragen zoals ‘Wat is de peildatum? Kan een alternatieve peildatum gekozen worden? En zijn er uitzonderingen op de peildatum?’, zijn in dit artikel besproken. Naast de peildatum zijn - voor het bepalen van de ontslagvolgorde - ook andere elementen van belang. Een van die elementen is of de afspiegeling plaatsvindt over de gehele onderneming of afzonderlijke bedrijfsvestigingen. In beginsel wordt voor de toepassing van de ontslagvolgorde uitgegaan van een reorganisatie in de onderneming als geheel, maar onder bepaalde omstandigheden worden alleen de functies in een bepaalde bedrijfsvestiging meegeteld bij het bepalen van de ontslagvolgorde. Vandaag sta ik stil bij de vraag wanneer er sprake is van een bedrijfsvestiging.

Afspiegeling in gehele onderneming of binnen bedrijfsvestiging?

Zoals hiervoor aangegeven, wordt bij het afspiegelingsbeginsel rekening gehouden met alle uitwisselbare functies binnen de onderneming. Dit kan echter anders zijn wanneer de werkzaamheden verspreid zijn over meerdere bedrijfsvestigingen en de bedrijfsvestigingen aan een tweetal voorwaarden voldoet:

  1. De bedrijfsvestigingen zijn in de maatschappij als zelfstandige eenheid te herkennen; en
  2. Er is sprake van interne zelfstandige bevoegdheid.

Om te bepalen of er sprake is van een bedrijfsvestiging moeten dus twee stappen worden gezet.

De eerste stap is of de bedrijfsvestiging in de maatschappij als zelfstandige eenheid te herkennen is. Maar wanneer is dat het geval? Voor het antwoord op deze vraag is van belang hoe deze bedrijfsvestigingen zich naar buiten toe(maatschappelijk) presenteren en daarmee voor derden als zelfstandige eenheid zichtbaar zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de volgende elementen:

  • In hoeverre presenteert de eenheid zich extern publiekelijk als zelfstandige aanbieder van goederen en diensten?
  • Heeft de eenheid een eigen adres c.q. bedrijfslocatie?
  • Staat de eenheid als aparte vestiging bij de KvK geregistreerd?
  • Heeft de eenheid een eigen klantenkring of doelgroep?
  • Kent de eenheid een eigen product- en/of dienstenlijn?
  • Heeft de eenheid een eigen naam?
  • Heeft de eenheid een eigen website, briefpapier, logo of huisstijl?
  • Wat is de geografische afstand tussen de verschillende locaties?

Niet aan al deze elementen hoeft te zijn voldaan om te kunnen spreken van een in de maatschappij herkenbare eenheid. Deze elementen moeten in onderling samenhang worden beoordeeld en uiteindelijk worden afgewogen.

Als de eerste ‘hobbel’ is genomen en de bedrijfsvestiging inderdaad als zelfstandige eenheid in de maatschappij te herkennen is, moet de tweede stap worden gezet. Er moet beoordeeld worden of er sprake is van een interne zelfstandige bedrijfsvoering. Bij deze beoordeling is van belang hoe de eenheid intern is georganiseerd. Doorslaggeven daarbij is of er al dan niet sprake is van interne zelfstandigheid qua bedrijfsvoering. Daarbij moeten de volgende elementen in acht genomen worden:

  • Is er sprake van een aparte rechtspersoon?
  • Wordt er zelfstandig (financieel) gerapporteerd?
  • Is de eenheid als zelfstandig onderdeel in de (financiële) rapportage opgenomen (bijvoorbeeld in jaarplannen)?
  • In hoeverre is een eigen management verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering?
  • Kan de eenheid zelfstandig personeel in dienst nemen en ontslaan?
  • Is er sprake van een eigen separate medezeggenschap?

Ook hier geldt dat niet aan alle elementen voldaan hoeft te worden om te kunnen spreken van een interne zelfstandige bedrijfsvoering. Een weging van de elementen zal uiteindelijk leiden tot het antwoord op de vraag of er sprake is van een interne zelfstandige bedrijfsvoering.

Wordt aan de twee voorwaarden voldaan, dan kan er worden afgespiegeld aan de hand van de uitwisselbare functies per bedrijfsvestiging.

Let op: leidt de uitkomst van een afspiegeling op bedrijfsvestiging tot onredelijke uitkomsten? Dan kan het alsnog zo zijn dat over de gehele onderneming afgespiegeld moet worden. Dit is bijvoorbeeld het geval als het personeel – als gevolg van wisselingen in de werkdruk – regelmatig tussen de verschillende bedrijfsvestigingen wordt uitgewisseld. Een ander voorbeeld is wanneer net voor de peildatum de werknemers van de ene naar de andere bedrijfsvestiging verplaatst zijn, om vermoedelijk de reorganisatiedans te ontlopen. 

Uitzendwerkgevers

Voor uitzendwerkgevers geldt een afwijkend regime. Er wordt bij het vervallen van een inleenopdracht namelijk niet gekeken naar de uitwisselbare functies in de gehele onderneming of de bedrijfsvestiging. Vervalt een inleenopdracht, dan wordt uitgegaan van:

  • de inleenopdrachten met uitwisselbare functies bij het inleenbedrijf waar de werknemer laatstelijk werkzaam was; en
  • de inleenopdrachten bij de desbetreffende bedrijfsvestiging op grond waarvan bij andere inleenbedrijven per inleenbedrijf in totaal vier of meer werknemers werkzaam zijn in uitwisselbare functies.

Zorg, welzijn en maatschappelijke dienstverlening

Ook op het terrein van zorg, welzijn en maatschappelijke dienstverlening gelden afwijkende regels. Het gaat onder andere om de branches thuiszorg, kraamzorg, jeugdgezondheidszorg, verpleeg en verzorgingshuizen, gehandicaptenzorg, jeugdhulp, geestelijke gezondheidszorg (waaronder ook verslavingszorg) en welzijn en maatschappelijk dienstverlening. Deze branches zijn vaak landelijk of regionaal georganiseerd, waardoor voor de toepassing van het afspiegelingsbeginsel moet worden gekeken naar de gehele regio. Dit kan leiden tot onredelijke uitkomsten. Om die reden moet er voor deze branches voor de afspiegeling gekeken worden naar uitwisselbare functies binnen de gemeente waar de arbeidsplaatsen komen te vervallen.

Er bestaan twee uitzonderingen op de uitzondering voor de zorg, welzijn en maatschappelijke dienstverlening. Allereerst geldt dat indien er binnen een gemeente sprake is van meerdere bedrijfsvestigingen, er in dat geval niet per gemeente maar per bedrijfsvestiging wordt afgespiegeld. De tweede uitzondering voor deze groep is als volgt. Wanneer het afspiegelen per gemeente niet in overeenstemming is met de wijze waarop de werkzaamheden in de organisatie zijn ingericht, dan wordt niet per gemeente maar per regio afgespiegeld. Dit is bijvoorbeeld het geval als de werkzaamheden regionaal geregeld zijn en de werknemers dus werkzaamheden verrichten in verschillende gemeentes.

Conclusie

Voordat u tot de afspiegeling over kunt gaan, is het belangrijk om te beoordelen over welke groep uitwisselbare functies er moet worden afgespiegeld. Gaat het om alle uitwisselbare functies binnen de onderneming? Moet er alleen gekeken worden naar functies binnen de bedrijfsvestiging? Of moet er afgespiegeld worden over uitwisselbare functies per gemeente? Dit zijn vragen die u moet kunnen beantwoorden om de ontslagvolgorde te bepalen. Onze specialisten begrijpen dat het antwoord op deze vragen niet altijd eenvoudig is. Twijfelt u over de antwoorden op uw vragen of wilt u hierover sparren? Neem dan contact met mij op via 06 – 16 66 96 45 of hof@bierman.nl
 

Artikelenreeks 'Leren reorganiseren'

Op dinsdag 27 oktober 2020 zal het negende artikel in de ‘Leren organiseren’-reeks verschijnen. In dit artikel staan wij stil bij de uitwisselbare functies.