Vanaf 1 januari 2019 treedt de ‘informatieplicht energiebesparing’ voor bedrijven en organisaties (hierna gezamenlijk: inrichtingen) in werking. Vanaf 1 juli 2019 moeten inrichtingen vervolgens ook aan deze informatieplicht voldoen. Wat houdt deze informatieplicht precies in en voor wie/welk soort inrichtingen geldt deze verplichting? En wat gebeurt er als de inrichting niet aan deze verplichting voldoet?

Al sinds 1993 bestaat er voor inrichtingen een wettelijke verplichting om energiebesparende maatregelen te nemen, maar uit de Nationale Energieverkenning (2017) blijkt dat het toezicht op (en handhaving van) de energiebesparingseis niet goed van de grond komt. De energiebesparingsverplichting is dus niet nieuw. Er is alleen een informatieplicht toegevoegd. 

Energiebesparingsverplichting

Energiebesparingsmaatregelen zijn maatregelen die zich in vijf jaar tijd (of minder) terugverdienen. Deze maatregelen zijn - per sector - opgenomen op ‘erkende maatregelenlijsten’ voor energiebesparing (vgl. bijlage 10 van de Activiteitenregeling). Duurzame energiemaatregelen (voor het opwekken van energie) zijn geen verplichting en bieden dan ook geen alternatief voor energiebesparende maatregelen. Er kan wel een andere, geschikte maatregel worden getroffen. Deze maatregel moet dan tenminste gelijkwaardig zijn (of beter) dan het energiebesparende effect van de erkende maatregel. Daarnaast is bovenop de erkende maatregelen vaak meer energiebesparing mogelijk. Een bedrijf kan hiervoor kiezen maar dit kan niet worden afgedwongen.

Energieverbruik inrichting/uitzonderingen

Inrichtingen kunnen voor wat betreft hun jaarlijkse energieverbruik in drie verschillende categorieën worden ingedeeld: kleinverbruikers, middelgebruikers en de grootgebruikers. De (wettelijke) energiebesparingsverplichting geldt alleen voor middelgrote en grootverbruikers. Dit zijn inrichtingen met jaarlijks een elektriciteitsverbruik van 50.000 kWh tot meer dan 200.000 kWh of een gebruik van aardgas(equivalent) van 25.000m3 tot meer dan 75.000m3. De energiebesparingsverplichting is dus niet van toepassing op kleinverbruikers (inrichtingen met een elektriciteitsverbruik van minder dan 50.000 kWh en een jaarlijks verbruik aan aardgasequivalenten van minder dan 25.000m3) en een aantal inrichtingen waarvoor specifieke maatregelen voor energiebesparing zijn opgenomen via de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit zijn geen maatregelen opgenomen voor vervoer, omdat dit geen onderdeel is van het begrip ‘inrichting’.

’Drijver van de inrichting’

De energiebesparingsverplichting geldt voor de ‘drijver van de inrichting’. In de praktijk is het soms lastig te achterhalen wie daarmee wordt bedoeld. Wanneer een gebouw bijvoorbeeld uit meerdere inrichtingen bestaat, kan het afhankelijk zijn van de situatie wie, de eigenaar of de huurder van het pand, uiteindelijk welke (energiebesparings)maatregelen doorvoert. In het algemeen geldt dat degene die het in zijn macht heeft om de ‘overtreding’ te beëindigen, aan te merken is als drijver. Dit is echter niet altijd gemakkelijk vooraf vast te stellen en hangt vaak samen met de inhoud van het huurcontract.

Ook komt het in de praktijk vaak voor dat de verhuurder (eigenaar van het gebouw) kosten maakt door bijvoorbeeld te investeren in dubbel glas terwijl de huurder lagere energiekosten krijgt. Dit wordt ook wel het probleem van de ‘split incentives’ genoemd. Dit probleem kan worden opgelost dan wel voorkomen, door het aangaan van een nieuw huurcontract of andere privaatrechtelijke overeenkomst tussen huurder, verhuurder, eigenaar en/of beheersorganisatie.  

Informatieplicht

De informatieplicht wordt nageleefd als uiterlijk op 1 juli 2019 een compleet rapport met de genomen energiebesparende maatregelen is ingeleverd bij het bevoegde gezag. Het bevoegde gezag is over het algemeen de gemeente waarbinnen de inrichting is gevestigd. De handhaving- en toezichtstaken van het bevoegd gezag kunnen aan een omgevingsdienst zijn gedelegeerd. Bij grote, complexe bedrijven is de provincie meestal het bevoegd gezag.

Nadat op uiterlijk 1 juli 2019 het rapport met energiebesparingsmaatregelen is ingeleverd, dient eenmaal per vier jaar een nieuw rapport te worden opgestuurd.

Handhaving

Aan de hand van de informatie uit het aangeleverde rapport bepaalt het bevoegd gezag of binnen korte tijd een controle nodig is om te bepalen of de inrichting zich houdt aan de energiebesparingsverplichting.

Hoewel voor kleinverbruikers geen wettelijke verplichting tot energiebesparing bestaat kan, in gesprekken met het bevoegd gezag, energiebesparing en het treffen van maatregelen worden gestimuleerd.

Bij middelgrote verbruikers beoordeelt het bevoegd gezag of alle rendabele maatregelen zijn genomen. Als dit niet het geval is kan het bevoegd gezag een haalbaarheidsonderzoek naar specifieke maatregelen eisen.

Voor grootverbruikers geldt dat het bevoegd gezag een energie(besparings)onderzoek kan eisen. Onderdeel van dit onderzoek is een plan van aanpak of uitvoeringsplan waarin het bedrijf aantoont dat alle rendabele maatregelen zijn genomen of wanneer welke maatregel wordt genomen (indien er sprake is van fasering van maatregelen).

Indien de inrichting zich na een hercontrole nog steeds niet aan de wet houdt, moet het bevoegd, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom, handhavend optreden.

Heeft u nog vragen heeft over energiebesparingsmaatregelen, de informatieplicht en/of privaatrechtelijke maatregelen om bijvoorbeeld ‘split incentives’ te voorkomen? Wij zijn u graag van dienst!  

*Bijgewerkt tot december 2018