Wro verandert recht op vergoeding; alleen tegemoetkoming bij planschade mogelijk

Gepubliceerd op 25-06-2012

Bouwformatie, nummer 2, 28 februari 2012

 
Op 1 juli 2008 is het planschaderecht ingrijpend gewijzigd. Op die datum is namelijk de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Onder deze wet heeft degene die planschade lijdt geen recht (meer)op een volledige vergoeding van zijn schade, zoals onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening, maar slechts op een tegemoetkoming.
 
Planschade is de schade die wordt geleden als gevolg van een bepaalde wijziging in het planologische regime. In artikel 6.1, tweede lid, van de Wro is opgesomd welke planologische besluiten kunnen leiden tot te vergoeden schade.
 
Bijzonder is dat planschade wordt veroorzaakt door op zichzelf rechtmatig overheidshandelen. Het staat vast, dat de overheid het recht heeft om regelmatig het geldende bestemmingsplan voor een bepaald gebied te herzien. Daarbij is niet te vermijden dat wijzigingen soms ten koste zullen gaan van bestaande belangen, bijvoorbeeld doordat een nieuwe woonwijk wordt geprojecteerd, verdwijnt het vrije uitzicht van bestaande woningen, waardoor die minder waard worden.
 
Een bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bouwmogelijkheden voor alle onroerende zaken binnen een plangebied. De planvoorschriften hebben ook effect op de verkoopwaarde van een onroerende zaak. Door een “nieuwe” planologische maatregel kunnen de gebruiks- en bouwmogelijkheden van een onroerende zaak in negatieve zin worden beïnvloed. Ook planologische ontwikkelingen in de nabijheid van een onroerende zaak kunnen de waarde daarvan beïnvloeden. In die gevallen kan sprake zijn van planschade. Ook inkomstenderving door een planologische maatregelen kan leiden tot planschade.
 
Het karakter van het planschaderecht komt vooral tot uitdrukking in artikel 6.2 Wro. Hierin is bepaald dat schade die binnen het normaal maatschappelijk risico valt, voor rekening van de schadelijdende blijft. Het tweede lid van dit artikel voegt hieraan toe dat “in ieder geval” 2% van het inkomen en 2% van de waarde van de onroerende zaak voor rekening van de schadelijdende blijft.
 
Bij inkomensschade en waardevermindering blijft derhalve 2% voor rekening van de aanvrager van de planschade. Echter, het normaal maatschappelijk risico geldt niet voor planschade als gevolg van een wijziging van het bestemmingsplan voor uw eigen perceel. Stel de gemeente wijzigt het bestemmingsplan waarbij u op uw perceel minder bouwmogelijkheden krijgt. De waardevermindering van uw woning die daarvan het gevolg is, komt dan voor volledige vergoeding in aanmerking. De drempel van 2% is dan niet van toepassing.
 
Anders wordt het wanneer de gemeente het bestemmingsplan wijzigt voor een perceel naast dat van u. Neem als voorbeeld uw woning met een waarde van € 300.000,--. De gemeente stelt een bestemmingsplan vast dat het mogelijk maakt naast uw perceel appartementen te bouwen. Uit een taxatie blijkt dat de waarde van uw woning daardoor met € 10.000,-- daalt. Vervolgens dient u een verzoek om planschadevergoeding in. In dit geval geldt de drempel van 2% wel. Deze wordt berekend over de waarde van uw woning vóór de wijziging van het bestemmingsplan. Het normaal maatschappelijk risico bedraagt derhalve 2% van € 300.000,-- is € 6.000,--. De planschade die de gemeente u dan maximaal zal vergoeden bedraagt € 10.000,-- minus € 6.000,-- is € 4.000,--.
 
Het criterium “normaal maatschappelijk risico” berust op het beginsel “gelijkheid voor publieke lasten”, waarmee schade met een beroep op het normale maatschappelijke risico ten laste van de burger kan worden gelaten. Dit criterium is in artikel 6.2 Wro geconcretiseerd in een forfait van in elk geval 2% van de waarde van de onroerende zaak of het inkomen. Het forfait heeft het karakter van een wettelijk minimum; bedraagt de schade minder dan de 2% dan hoeft een aanvraag niet of niet verder in behandeling genomen te worden.
 
Een veel terugkerend misverstand is, dat degene die aanspraak meent te hebben op vergoeding van planschade, bezwaar tegen het schadeveroorzakende regime (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) moet hebben gemaakt om voor vergoeding van de schade in aanmerking te komen. Dit is onjuist. Voor het al dan niet toewijzen van de schade maakt het namelijk geen verschil of de betrokkene zich al dan niet tegen het nieuwe planologisch regime heeft verzet (ABRvS 25 september 1995, BR 1996, p. 592).
 
Het is zelfs niet uitgesloten dat de betrokkene meent dat de schadeveroorzakende ontwikkeling op zichzelf noodzakelijk is. Dit doet namelijk niet af aan de ratio van de planschadevergoeding, namelijk dat ook bij een gerechtvaardigde wijziging in het planologisch regime belanghebbenden geen schade behoren te ondervinden.
 
Bij de vraag of de schade ten laste van degene die stelt schade te lijden dient te blijven, speelt wel een grote rol, in hoeverre de schade op één of andere wijze voorzienbaar was ten tijde van de verkrijging van het perceel, de zogenoemde actieve risico-aanvaarding. Aan hem kan soms worden tegengeworpen dat hij de nadelige wijziging had kunnen zien aankomen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen.
 
Hierbij zij aangetekend dat planschade niet alleen kan ontstaan door nieuwe ontwikkelingen in de naaste omgeving, maar ook door het vervallen van bestaande mogelijkheden op het eigen terrein. In dat laatste geval kan het gedurende lange tijd onbenut laten van de bestaande mogelijkheden tot gevolg hebben dat men geen recht kan laten gelden op vergoeding van planschade, de zogenoemde passieve risico-aanvaarding.
 
Voorts is in artikel 6.3 Wro opgenomen dat burgemeester en wethouders bij hun beslissing omtrent de tegemoetkoming van de schade in hun beslissing betrekken de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken. Deze bepaling bestond niet onder het oude recht, maar vormde in de praktijk en rechtspraak al wel een toetsingskader. Ook geldt conform vaste rechtspraak dat bij de beoordeling van een planschadeverzoek tevens acht mag worden geslagen op voordelen die voortvloeien uit de wijziging van het planologisch regime. Voorwaarde hierbij is wel dat in beginsel deze moeten voortvloeien uit dezelfde wijziging.
 
Op een aanvraag om tegemoetkoming in planschade kan pas inhoudelijk worden beslist na de datum van onherroepelijk worden van het schadeveroorzakende besluit. Ook zij erop gewezen dat een verzoek om vergoeding van planschade moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop de oorzaak onherroepelijk is geworden. Overigens beschikken de meeste Nederlandse gemeenten over een Procedureverordening planschadevergoeding. In die verordening zijn de procedureregels vastgelegd die burgemeester en wethouders moeten hanteren bij de beslissing om al dan niet schadevergoeding toe te kennen.
 
Tot slot geldt dat op het besluit van burgemeester en wethouders omtrent het verzoek om planschadevergoeding, de procedureregels van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn. Dat betekent dat door de belanghebbende in eerste instantie bij het college van burgemeester en wethouders een bezwaarschrift kan worden ingediend, teneinde te bewerkstelligen dat na heroverweging een ander besluit wordt genomen. Tegen de beslissing op bezwaar van burgemeester en wethouders kan eventueel beroep worden ingesteld bij de rechtbank, waarna eventueel nog hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
Mr. E.A.M. van Gaal is werkzaam bij Bierman Advocaten te Tiel.