Vervoerders opgelet; praktische tips tegen aansprakelijkheid voor diefstal lading

Gepubliceerd op 08-03-2012

Op grensoverschrijdend vervoer van goederen over de weg is het CMR-verdrag van toepassing. Als vervoerder bent u op grond van artikel 17 lid 1 CMR gehouden de goederen zonder vertraging, geheel en zonder verlies of beschadiging af te leveren aan de geadresseerde. Dit betekent dat u als vervoerder niet enkel verplicht bent om u in te spannen de goederen af te leveren, maar dat u verplicht bent om de goederen af te leveren. Komt u als vervoerder dan in geen geval een beroep op overmacht toe? Met name indien de chauffeur is overvallen en de lading vervolgens is gestolen, lijkt het onredelijk als nimmer sprake zou zijn van overmacht. Evenwel slaagt een dergelijk beroep op overmacht zelfs na gewelddadige diefstal slechts zeer zelden.

In het arrest van 17 april 1998 (Oegema/Amev, NJ 1998, 602) oordeelde de Hoge Raad dat van overmacht slechts sprake is indien de vervoerder aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder en zijn hulppersonen te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen.

De vraag is nu welke concrete maatregelen een vervoerder moet nemen om aan bovenstaand criterium te voldoen. Het antwoord op deze vraag hangt van de specifieke omstandigheden van het geval af. In het door de Hoge Raad op 24 april 2009 (LJN BH0389) berechte geval, wordt aan de hand van de onderstaande punten geoordeeld dat de vervoerder geen beroep op overmacht toekwam:

I.       de vervoerder behoorde te weten dat de lading elektronica betrof en had in ieder geval rekening moeten houden met de mogelijkheid dat aan het vervoer daarvan in Polen specifieke    risico’s waren verbonden;

II.      de vervoerder heeft desondanks het transport van die diefstalgevoelige goederen doen verrichten door één chauffeur;

III.     de chauffeur had niet eerder op Warschau gereden;

IV.     de chauffeur vervoerde de goederen op een tijdstip waarop weinig verkeer op de weg was;

V.      de vervoerder heeft de vrachtwagen niet in konvooi laten rijden. Of de konvooiregeling van de brancheorganisatie Transport & Logistiek Nederland (TLN) slechts een advies is, is niet van beslissende betekenis, nu ook het niet opvolgen van een dergelijk advies onder omstandigheden onzorgvuldig kan zijn;

VI.     niet is gebleken van enige specifieke beveiliging van de vrachtwagen.

 
Naast de bovenstaande zijn er in de jurisprudentie tal van andere omstandigheden, waaronder de onderstaande, aangewezen die van belang zijn bij een beroep op overmacht:

I.       de vervoerder behoort in elk geval indien op relatief korte afstand een bewaakte parkeerplaats is daar gebruik van te maken (Rechtbank Rotterdam, 11 juli 2007, LJN: BB0276);

II.      de vervoerder die de lading gedurende een nacht plaatst op een slecht beveiligd bedrijfsterrein komt geen beroep op overmacht toe (Rechtbank ’s-Gravenhage, 6 november 2002, S&S 2004, 70);

III.     de vervoerder behoort zich te houden aan alle veiligheidsinstructies van de verlader (Rechtbank Breda, 30 juni 2004, S&S 2006, 36).

Mijn advies aan vervoerders is dan ook dat zoveel mogelijk aandacht aan het voorkomen van diefstal wordt besteed. De praktijk leert echter dat het commercieel niet altijd haalbaar is om veel veiligheidsmaatregelen te nemen. Verladers zijn immers niet of nauwelijks bereid om hiervoor te betalen. In dat geval is het van belang dat u als vervoerder uw verlader informeert over welke maatregelen ter voorkoming van diefstal u niet kunt nemen omdat de verlader daar niet voor wenst te betalen. Hiermee kan namelijk het standaardargument van verladers in een procedure dat de vervoerder de verlader tenminste de mogelijkheid had moeten bieden om te betalen voor meer veiligheidsmaatregelen worden voorkomen.

mr. M. Kalkwiek