Let op: voor een geldige borgstelling is toestemming echtgenoot vereist

Gepubliceerd op 18-10-2012

Banken of andere kredietinstellingen bedingen bij het verstrekken van financiering aan een vennootschap vaak extra zekerheid. Één van de manieren waarop zekerheid kan worden verschaft, is het sluiten van een overeenkomst van borgstelling met bijvoorbeeld de bestuurder van de vennootschap. In geval van een borgstellingsovereenkomst stelt de bestuurder zich persoonlijk borg voor betaling van de hoofdsom en/of rentebetalingen van het aan zijn vennootschap verstrekte krediet. Wanneer de vennootschap haar verplichtingen ten opzichte van de kredietverschaffer niet nakomt, kan de bestuurder in privé worden aangesproken tot nakoming van de verplichtingen.

Als de vennootschap niet (tijdig) betaalt, kan dit ingrijpende financiële gevolgen hebben voor zowel de bestuurder als zijn hele gezin. In artikel 1:88 BW is daarom bepaald dat voor het aangaan van een borgstellingsovereenkomst de toestemming van de echtgenoot is vereist. Deze regeling beoogt de echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die een groot (financieel) risico met zich meebrengen. Als de echtgenoot niet de vereiste toestemming heeft gegeven kan de borgstellingsovereenkomst worden vernietigd. De kredietverschaffer kan de borg dan niet meer aanspreken op zijn borgstelling. Dat is onder ander het geval indien de borg niet wordt aangegaan in de "normale uitoefening van het bedrijf".

De vraag is wanneer dat het geval is. Kredietovereenkomsten zullen vaak als normale bedrijfshandeling worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden kunnen echter maken dat dit anders ligt. Hierbij kan gedacht worden aan de omstandigheid dat er geen gewone geldlening wordt verstrekt waardoor de liquiditeiten van de vennootschap worden vergroot, maar dat enkel de zekerheden worden verruimd. Van dergelijke omstandigheden was sprake in een onlangs gewezen uitspraak door de Rechtbank Haarlem.

In deze uitspraak speelde het volgende. C was (indirect) bestuurder en (indirect) aandeelhouder van een BV. De BV had in 1996 een kredietovereenkomst gesloten met ABN AMRO Bank. De persoonlijke vennootschap van C had verbonden voor de verplichtingen uit deze overeenkomst. In 2003 werd de kredietovereenkomst omgezet in een rekening-courantkrediet. Bij deze omzetting werd géén extra krediet verstrekt, maar diende C  in privé aansprakelijkheid te aanvaarden voor de nakoming van de op de BV rustende verplichtingen. De borgstelling door C in privé kwam in de plaats van een aantal eerder door de persoonlijke vennootschap van C afgegeven zekerheden. 

Op enig moment voldeed de BV niet langer aan haar verplichtingen jegens de bank. De bank ging tot opzegging van het krediet over en sprak op enig moment C in privé aan tot betaling van het geheel. De echtgenote van C had de kredietovereenkomst in 2003 echter niet ondertekend en vorderde vernietiging van de kredietovereenkomst.

De rechtbank stelde haar in het gelijk. De rechter was van mening dat er sprake was van omstandigheden die maakten dat de toestemming van de echtgenote van C destijds was vereist. Bij de omzetting van het krediet was voor de vervallen zekerheden een borgstelling in privé in de plaats gekomen, zonder dat de bank extra krediet had verstrekt. Hierdoor was C in privé aansprakelijk geworden voor een vordering waarvoor hij voordien niet persoonlijk aansprakelijk was, zonder dat dit hem of de vennootschap financieel voordeel opleverde. Deze omstandigheden maakten dat het aangaan van de persoonlijke borgstelling niet behoorde tot de normale bedrijfsuitoefening, zodat daarvoor de toestemming van de echtgenote van C was vereist. De bank trok daarmee aan het kortste eind.

 Mw. mr. S.M. van Oirschot