Inzet ZZP'ers om crisis te weerstaan, toegestaan?

Gepubliceerd op 03-10-2014

Onlangs heeft de rechtbank Den Haag* zich gebogen over de inzet van ZZP’ers, ter vervanging van vast personeel. Wat was het geval?

Eurogips – een bedrijf dat zich bezig houdt met het plaatsen van scheidingsbinnenwanden – had vanaf 2009 sterk te lijden gehad van de crisis in de bouw. Nadat tal van kostenbesparende maatregelen onvoldoende effect hadden gescoord, besloot zij in 2012 ontslag aan te vragen voor al haar vaste uitvoerend personeel (opperlieden, bouwers en stelleurs). Vanuit kostprijs-en doelmatigheidsoverwegingen, oordeelde Eurogips dat zij deze werkzaamheden alleen nog kon laten uitvoeren door ZZP’ers. Nadat het UWV de gevraagde ontslagvergunningen had verleend, wendde (oud) werknemer Van Ommen zich tot de kantonrechter. Hij vond dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde een bedrag van € 156.000,= bruto. Van Ommen stelde dat Eurogips bij het UWV een valse reden voor het ontslag had opgegeven. De werkelijke reden voor ontslag was volgens hem gelegen in het feit dat Eurogips met de inzet van ZZP’ers “het ontduiken van de verplichtingen van een werkgever” beoogde. Voorts wees hij erop dat Eurogips met de inzet van ZZP’ers geen echte kostenbesparingen realiseerde, dat Eurogips niets had gedaan om voor hem passend werk te vinden, terwijl Eurogips tijdens het dienstverband niet geïnvesteerd in om- en bijscholing. 

De kantonrechter oordeelde – mede gelet op de door Eurogips in het geding gebrachte cijfers – dat zij vanwege de instabiele situatie op de markt in redelijkheid had kunnen beslissen het bedrijf doelmatiger in te richten. Het vervangen van het vast personeel door ZZP’ers was volgens de kantonrechter om die reden toegestaan. Dit omdat het – zo stelde de kantonrechter vast – niet om schijnzelfstandigen ging. De kantonrechter voegde daaraan toe dat Eurogips door gebruik te maken van ZZP’ers beter kon inspelen op fluctuaties in het werk. Aldus oordeelde de kantonrechter dat er geen valse redenen aan het ontslag ten grondslag lagen.

Toch vond de kantonrechter dat het ontslag kennelijk onredelijk was. Dit vanwege de grote gevolgen voor Van Ommen. Daarbij wees de kantonrechter op het lange dienstverband van Van Ommen, de moeilijke arbeidssituatie in de bouw en het feit dat Eurogips Van Ommen niet geholpen had bij het vinden van ander werk. Ook achtte de kantonrechter het van belang dat Eurogips ten tijde van het ontslag financieel gezond was.

Aan vaststelling van de aan Van Ommen toe te kennen vergoeding, kwam de kantonrechter nog niet toe. Dit omdat de kantonrechter nader geïnformeerd wilde worden over één van de schadecomponenten, te weten, de ten tijde van het ontslag te verwachten werkloosheidsduur. De kantonrechter merkte al wel op dat de schattingen van Eurogips ter zake – gebaseerd op de website “www.hoelangwerkeloos.nl” – door hem niet overgenomen zouden worden. Van Ommen had namelijk kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van deze website. Gelet op de leeftijd van Van Ommen (49 jaar) en de duur van het dienstverband (bijna 30 jaar) kwam de kantonrechter uit op een te verwachten werkloosheidsduur van 2,5 jaar. Met behulp van deze schatting stelde de kantonrechter Van Ommen in de gelegenheid zijn schadeberekening aan te passen en zich daarover uit te laten..

Opgemerkt wordt dat andere kantonrechters veel kritischer zijn over de inzet van ZZP’ers dan de rechtbank Den Haag. Zo wees de kantonrechter Amsterdam (31 januari 2014, JAR 2014/73) een ontbindingsverzoek van een onderneming werkzaam in de steigerbouw af. Ook deze wilde vast personeel vervangen door ZZP’ers. De kantonrechter ging daarin niet mee. Dit omdat er naar zijn mening geen sprake was van het vervallen van arbeidsplaatsen, terwijl het voorts niet leek te gaan om het uitbesteden van werk aan échte zelfstandigen. Volgens de kantonrechter ging het veeleer om het inwisselen van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd door opdrachtovereenkomsten met (schijn) zelfstandigen met maar één opdrachtgever. Dat vond de kantonrechter niet in de haak.

Aan het vervangen van vast personeel door ZZP’ers zitten dus nogal wat haken en ogen. De rechtspraak is in ieder geval verdeeld. Wel lijken alle rechters gewicht toe te kennen aan de vraag of het werk wordt uitbesteed aan schijnzelfstandigen of niet.

Mr. J.L.J.J. Nelissen
Vakgroep Arbeidsrecht
nelissen@bierman.nl

*Rechtbank Den Haag, kantonrechter, locatie Gouda, 7 augustus 2014, JAR 2014/216