Concurrentiebeding: Werkgevers en werknemers opgelet, de tijden veranderen!

Gepubliceerd op 09-03-2012

In tijden van economische teruggang komen bedrijfswinsten onder druk te staan. Ondernemers zijn dan vaak genoodzaakt, alleen al vanuit een overlevingsstrategie, te streven naar een maximale dekking van vaste kosten. Dat betekent dat het prijsmechanisme voluit wordt ingezet en dat men tracht een stijging van omzetvolume te bewerkstelligen. Dit laatste moet doorgaans plaatsvinden door marktaandeel bij concurrenten weg te halen. Er is immers sprake van een krimpende markt.

In de praktijk blijkt dat concurrenten dan niet schromen bij elkaar belangrijke werknemers weg te halen. Zij zijn het immers die kennis van de markt met de bijbehorende relaties hebben en die de "gunfactor"  ten gunste van het nieuwe bedrijf kunnen doen kantelen. De oude werkgever kan dit voorkomen door een beroep te doen op een concurrentiebeding, als dit tenminste schriftelijk is overeengekomen. Als dit laatste niet het geval is, kan een promotie of een salarisverhoging worden aangegrepen om alsnog zo'n beding af te spreken. 

Immers: "voor wat, hoort wat".

Werknemers hebben, zo blijkt in de praktijk, vaak een verkeerd beeld van de werking van een concurrentiebeding. Zij denken dat zij er wel makkelijk onderuit kunnen komen, omdat zij bijvoorbeeld inhoudelijk ander werk zijn gaan doen, of omdat zij in de loop van de tijd een andere functie zijn gaan bekleden en het beding daarom niet meer van toepassing is. 

Uit recente rechtspraak blijkt dat rechters daar regelmatig anders over denken. Een accountmanager die later verkoopleider wordt, blijft in feite hetzelfde – commerciële – werk doen en heeft alleen meer collega-verkopers die hij aan moet sturen. De kern van zijn werk is niet veranderd; dat blijft het maximeren van de verkoop en het hebben van klantcontacten. Een substantiële salarisverhoging in een nieuwe baan kan onder omstandigheden reden voor een Kantonrechter zijn het concurrentiebeding in omvang of termijn te matigen. In tijden van economische malaise laten rechters doorgaans het belang van de werkgever zwaarder wegen dan als het ondernemers voor de wind gaat. 

Als een werknemer gebonden is aan een concurrentiebeding en zicht heeft op werk bij een concurrent, doet hij er goed aan dit op een transparante wijze bij zijn werkgever aan de orde te stellen. Ontslag nemen en maar hopen dat de werkgever op het concurrentiebeding geen beroep gaat doen, levert een uiterst onplezierige onderhandelingspositie op.  Als de werkgever er wel een beroep op doet, dan heeft de werknemer een probleem. Hij kan niet meer terug naar zijn oude werk en hij komt door zijn vrijwillige ontslagname ook niet meer in aanmerking voor een WW-uitkering. De oud-werkgever zal in zijn algemeenheid ook niet erg inschikkelijk meer zijn om naar een praktische oplossing te zoeken.

Als een werknemer in de gaten krijgt dat hij door de economische teruggang in het bedrijf wellicht op korte termijn overbodig zal raken, kan het een idee zijn om dit met de werkgever te bespreken en in te stemmen met ontslag om economische redenen, waarbij hij toezegt geen verweer te zullen gaan voeren. Tegenover die "geste" van de werknemer, kan hij verlangen dat hij wordt ontslagen uit de verplichtingen voortvloeiend uit het concurrentiebeding. 

Kortom: werknemers die aan een concurrentiebeding gebonden zijn doen er goed aan op tijd en tactisch te manoeuvreren. Werkgevers hebben er alle belang bij op het juiste moment een concurrentiebeding af te spreken. Dat is natuurlijk allereerst bij het aangaan van het dienstverband, doch als dat niet is gebeurd, kan dat bij het verstrekken van een bonus, gratificatie of salarisverhoging als onderhandelingspunt worden ingebracht. In ieder geval blijkt uit de recente rechtspraak dat rechters, meer dan voorheen, het belang van werkgevers bij handhaving van het concurrentiebeding zwaar laten wegen.

mr. K.F. Leenhouts