Cessie- en verpandingsverboden

Gepubliceerd op 29-09-2016

Een bank (of een financier) zal doorgaans pandrechten verlangen van een door haar gefinancierde onderneming. Bij de vestiging van deze pandrechten dient de bank met diverse zaken rekening te houden. Zo wees ik banken en financiers in mijn vorige bijdrage al op het arrest Rabobank/Reuser, waaruit onder meer volgt dat de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken ook ‘onder het bereik’ vallen van een pandrecht op de voorraden en de inventaris van de onderneming (de link naar dit artikel treft u hier aan). In deze bijdrage ga ik nader in op de gevolgen van een zogenaamde ‘cessie- en verpandingsverbod’ voor een pandrecht van de bank op de debiteurenportefeuille van een onderneming.

Verpanding van debiteuren
Bij het verstrekken van een financiering aan een onderneming verlangt nagenoeg iedere bank dat deze onderneming haar debiteurenportefeuille aan de bank verpand. Indien de onderneming haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet meer nakomt, kan de bank op grond van dit pandrecht (kortgezegd) overgaan tot incasso van de debiteurenportefeuille. Deze bestaat doorgaans uit de vorderingen van de onderneming op haar afnemers.

Verpandingsverbod
De bank dient er echter op bedacht te zijn dat met name de ‘machtigere afnemer’ (zoals grote winkelketens, autofabrikanten, aannemers, etc.) in hun algemene (inkoop)voorwaarden meestal een cessie[1]- en verpandingsverbod hebben opgenomen. Deze verboden komen in vele varianten voor. Hieronder geef ik een vijftal voorbeelden:

  1. “Het is de onderaannemer verboden zijn vorderingen op aannemer aan een derde te cederen of te verpanden.”
  2. “Zonder toestemming zal de verkoper zijn vorderingen op afnemer niet aan derden overdragen of verpanden.”
  3. “Opdrachtnemer is niet bevoegd om zijn vorderingen op opdrachtgever aan derden te cederen of te verpanden.”
  4. “De vorderingen van onderaannemer op aannemer zijn niet over te dragen of te verpanden.”
  5. “De eigendomsoverdracht of verpanding van de vorderingen van verkoper op afnemer is op grond van artikel 3:83 lid 2 BW uitgesloten.”


Door het opnemen van dergelijke cessie- en verpandingsverboden proberen afnemers te voorkomen dat zij (na een jarenlange zakelijke relatie met een onderneming) opeens geconfronteerd worden met een derde partij die op grond van cessie dan wel pandrecht de betaling van de nog openstaande facturen van voornoemde onderneming vordert. Het onderzoek of inderdaad aan deze derde partij betaald moet worden, veroorzaakt een hoop kosten en administratieve ‘rompslomp’.

Hierna zal ik nader ingaan op de mogelijke gevolgen van een verpandingsverbod voor het pandrecht van de bank op de debiteurenportefeuille (namelijk: de vorderingen van de onderneming op haar afnemers).

Verbintenisrechtelijke werking
Een verpandingsverbod ´werkt’ in beginsel alleen tussen de onderneming en de betreffende afnemer. Zij zijn immers de algemene inkoopvoorwaarden – en het daarin opgenomen verpandingsverbod – met elkaar overeengekomen. De bank is hier immers geen partij. Indien de onderneming het verpandingsverbod niet nakomt en toch overgaat tot verpanding van haar vorderingen op de afnemer, pleegt zij wanprestatie tegenover de afnemer en is zij aansprakelijk voor eventuele schade. Het ten behoeve van de bank gevestigde pandrecht is wel rechtsgeldig, nu het verpandingsverbod enkel ‘verbintenisrechtelijk’ werkt tussen de onderneming en de afnemer.

Goederenrechtelijke werking
Het is echter mogelijk dat een verpandingsverbod naast de hierboven beschreven verbintenisrechtelijke werking tevens een zogenaamde ‘goederenrechtelijke’ werking heeft. Uit (artikel 3:82 lid 2 van) het Burgerlijk Wetboek volgt – kortgezegd – dat de afnemer kan bepalen dat het verpandingsverbod niet alleen tegenover de onderneming, maar ook tegenover derden werkt. Indien een verpandingsverbod een dergelijke goederenrechtelijke werking heeft, zal op de vorderingen van de onderneming op de betreffende afnemer geen rechtsgeldig pandrecht tot stand kunnen komen. De bank heeft in dat geval niets aan haar pandrecht op debiteurenportefeuille van de onderneming.

De vraag of een verpandingsverbod goederenrechtelijke werking heeft, speelt met name als de onderneming failleert. Indien de bank op grond van haar pandrecht vervolgens overgaat tot incasso van de debiteurenportefeuille, zal de curator zich tegenover de bank vaak op het standpunt stellen dat het verpandingsverbod van een bepaalde afnemer een goederenrechtelijke werking heeft. Dit heeft dan tot gevolg dat de bank ‘achter het net vist’ en de vorderingen op deze afnemer onbezwaard aan de faillissementsboedel van de onderneming toekomen,

Het arrest Cofaca/Intergamma 
Uit het voorgaande volgt dat het voor de bank (én de curator) van groot belang is om vast te stellen of een verpandingsverbod – naast verbintenisrechtelijke werking -  tevens goederenrechtelijke werking heeft. In de literatuur en jurisprudentie was lange tijd onduidelijk wanneer dit precies het geval is. In het arrest Coface/Intergamma[2] heeft de Hoge Raad hierover (meer) duidelijkheid verschaft. In dit arrest overweegt de Hoge Raad – kort samengevat – dat een verpandingsverbod in beginsel enkel verbintenisrechtelijke werking heeft, tenzij uit onder meer de formuleringen van het verbod volgt dat de afnemer tevens een goederenrechtelijke werking beoogde. In zijn lezenswaardige noot onder het arrest geeft de schrijver Schuijling enkele praktische handvatten voor (de toepassing van) dit criterium:  

  • een verpandingsverbod dat geformuleerd is als een gebod of een verbod aan de wederpartij (zie voorbeeld 1 en 2), heeft in beginsel enkel verbintenisrechtelijke werking;
  • een verpandingsverbod dat bepaalt dat de wederpartij niet ‘kan’ verpanden of daartoe niet ‘bevoegd’ is (zie voorbeeld 3), geeft aanknopingspunten voor het aannemen van goederenrechtelijke werking;
  • een verpandingsverbod dat een uitdrukkelijke beperking van de ‘verpandbaarheid’ van de vorderingen bevat (zie voorbeeld 4 en 5), heeft in beginsel goederenrechtelijke werking;
  • indien het verpandingsverbod een expliciete verwijzing naar het (hiervoor genoemde) artikel 3:82 lid 2 BW bevat (voorbeeld 5), kan over de goederenrechtelijke werking nagenoeg geen twijfel bestaan. 


Het zal geen verrassing zijn dat deze handvatten slechts algemene ‘vuistregels’ zijn. Indien u vragen heeft over de concrete beoordeling van een verpandingsverbod (of over deze bijdrage), kunt u uiteraard contact met mij opnemen.

Mathijs Algra
algra@bierman.nl


[1] Cessie betreft de eigendomsoverdracht van een vordering.
[2] HR 21 maart 2014, JOR 2014/151 m.nt. Schuijling.