Belangenverstrengeling

Gepubliceerd op 15-10-2012

Belangenverstrengeling blijft altijd een lastig punt bij aanbestedingen. Zo blijkt ook in onderstaand geval.

 

Een gemeente heeft een RAW-raambestek Snoeiwerkzaamheden aanbesteed met als gunningscriterium de laagste prijs, waarbij van belang is dat een prestatiebeloning wordt toegekend indien al het door de aannemer opgeleverde werk als correct wordt beoordeeld. Ten behoeve van deze aanbestedingsprocedure laat de gemeente zich begeleiden door een adviesbureau. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal dit adviesbureau ook belast zijn met het toezicht.

 

De bij de aanbesteding als derde geëindigde inschrijver ontdekt op enig moment dat de laagste inschrijver er een structurele zakelijke relatie op nahoudt met het genoemde adviesbureau en vindt dat sprake is van belangenverstrengeling. Daar komt nog eens bij dat de laagste inschrijver abnormaal laag had ingeschreven. Gecombineerd met de al genoemde prestatiebeloning was het voor de protesterende inschrijver duidelijk: de laagste inschrijver wordt bevoordeeld.

 

Wat vindt de voorzieningenrechter hiervan?

 

De rechter stelt voorop dat belangenverstrengeling als ongewenst en in strijd met de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter laat merken dat hij doordrongen is van het feit dat het adviesbureau wel eens minder streng zou kunnen toetsen of de winnende inschrijver aanspraak kan maken op de bonus, vanwege de samenwerking die er tussen beiden bestaat. Ook benoemt de rechter dat om die reden wel eens bewust heel laag zou kunnen zijn ingeschreven. Tocht vindt de rechter dit alles niet voldoende. De gemeente heeft immers de ongeoorloofde belangenverstrengeling uitdrukkelijk betwist en daarmee is onvoldoende komen vast te staan dat daadwerkelijk sprake is van concurrentievervalsing of belangenverstrengeling.

 

De rechter overweegt dat onvoldoende concreet is onderbouwd dat de samenwerking verder gaat dan in de branche gebruikelijk is. Daarbij merkt de rechter op dat klaagster zelf ook een zakelijke relatie heeft met de gemeente, nu deze het groenonderhoud voor de gemeente verzorgt.

 

Een kort geding leent zich er niet voor om al deze punten te onderzoeken. Daarvoor dient een bodemprocedure te worden gevoerd. De rechter merkt op dat zij klaagster weinig kans geeft omdat zij immers als derde uit de bus is gekomen. Anders gezegd, zij zou de opdracht toch niet gekregen hebben. Hooguit zou de als tweede geëindigde inschrijver belang hebben bij een procedure.

 

Ook deze zaak toont maar weer eens aan dat het bijkans onmogelijk is om in een kort geding aan te tonen dat sprake is van belangenverstrengeling. In vrijwel alle gevallen krijgt de aanbestedende dienst het voordeel van de twijfel.    

 

Mr. Edwin van Dijk  en mr. Serge Schuurman

Sectie Bouw en Vastgoed

Bierman Advocaten, Tiel

dijk@bierman.nl