Aansprakelijkheid uit de VOF getreden vennoot

Gepubliceerd op 09-04-2015

Een vraag die vele uit een VOF tredende vennoten bezig houdt: “In hoeverre ben ik aansprakelijk voor vorderingen die voortvloeien uit een voor mijn uittreden gesloten duurovereenkomst?” Deze vraag werd recentelijk voorgelegd aan het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2014:3642). Het volgende had zich voorgedaan.

Partij X en Y hadden samen een vennootschap onder firma (VOF) gevormd. Deze VOF exploiteerde een webwinkel. Het bedrijf VNU had in opdracht en voor rekening van de VOF advertenties geplaatst op internet op basis van een tussen partijen op 20 januari 2009 gesloten overeenkomst. Per 1 augustus 2010 was de VOF ontbonden en voortgezet door partij X. Dit was ook ingeschreven in het handelsregister.

De facturen van VNU aan de VOF over de periode januari 2010 tot en met september 2010 werden niet betaald, reden waarom VNU partij X en Y in rechte betrok. De kantonrechter wees de vordering van VNU (deels) toe. Partij Y ging hiertegen in hoger beroep.

In artikel 18 Wetboek van Koophandel is bepaald dat in de vennootschap onder firma “elk der vennoten wegens de verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk is verbonden”. Hieruit volgt dat een uitgetreden vennoot na zijn uittreding tegenover schuldeisers van de VOF aansprakelijk blijft voor de verbintenissen die voor zijn uittreden zijn aangegaan. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een vennoot na zijn uittreding in beginsel ook aansprakelijk kan worden gehouden voor de betaling hiervan.

Het hof oordeelde dat partij Y op grond van de omstandigheden aansprakelijk was voor de vordering van VNU. Het hof overwoog dat het op de weg van partij Y had gelegen om VNU ervan op de hoogte te stellen dat hij was uitgetreden uit de VOF en dat partij X de onderneming als eenmanszaak zou voortzetten. VNU kon zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst immers verhalen op twee hoofdelijk verbonden vennoten. Zij mocht er – zonder andersluidend bericht – vanuit gaan dat dat nog steeds het geval was. Weliswaar had zij door raadpleging van het handelsregister kunnen weten dat de VOF was ontbonden, maar de gesloten duurovereenkomst betekende dat zij dit regelmatig zou moeten doen om haar verhaalspositie te bewaken. Dit kon redelijkerwijs niet van haar worden gevergd.

De les die uit deze uitspraak kan worden getrokken, is dat het van groot belang is bij ontbinding van een VOF duidelijke afspraken te maken en deze aan crediteuren bekend te maken.

Mr. N.M.J.H. van den Bogaard
Vakgroep Ondernemingsrecht
bogaard@bierman.nl