403-verklaring: moedervennootschap blijft aansprakelijk na schikking dochter

Gepubliceerd op 21-07-2015

De Hoge Raad heeft in een recent arrest bevestigd dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij voor een schuld van de dochtermaatschappij een zelfstandige (eigen) verbintenis tegenover de schuldeiser is. [1] Dit betekent het volgende: een schikking tussen de dochtermaatschappij en de schuldeiser, bevrijdt de moedermaatschappij niet van haar (eigen) schuld ten opzichte van de schuldeiser. Hieronder wordt toegelicht wat zich in voornoemde zaak had voorgedaan.

Feiten
Bia Beheer was de moedermaatschappij van Mastertools. Mastertools had op 28 oktober 2005 een overeenkomst gesloten met X (hierna: “de schuldeiser”). Mastertools zou voor de schuldeiser een “trekstempel” vervaardigen en leveren voor een bedrag van € 52.600,=. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst was door Bia Beheer een 403-verklaring afgegeven. Met een dergelijke verklaring stelt de moedermaatschappij zich hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van haar dochtermaatschappij.

Nadat Mastertools de trekstempel halverwege april 2006 had geleverd, bleek dat deze niet goed functioneerde. De schuldeiser ontbond de overeenkomst op 1 december 2006. Zij stelde Mastertools aansprakelijk voor de schade. Zij vorderde daarbij het aan Mastertools betaalde geld terug.

Op 28 maart 2007 werd Mastertools failliet verklaard. Bia Beheer werd vervolgens op 2 juni 2009 failliet verklaard. De schuldeiser vorderde van Mastertools én Bia Beheer terugbetaling van het aan Mastertools betaalde geld en vergoeding van de geleden schade.

Met de curator van Mastertools werd uiteindelijk een schikking getroffen. Tegen een betaling van € 25.000,= door de curator van Mastertools verleenden partijen elkaar finale kwijting. De schuldeiser vorderde daarna echter uit hoofde van de 403-verklaring van Bia Beheer het resterende aan Mastertools betaalde geld terug, plus een vergoeding van de geleden schade. De curator van Bia Beheer achtte dit onredelijk. Er was immers al een schikking getroffen tussen de dochtermaatschappij en de schuldeiser.

De Hoge Raad was het hier niet mee eens. De hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van de 403-verklaring geeft de schuldeiser een keus. De schuldeiser kan kiezen om alleen de dochtervennootschap of alleen de moedervennootschap tot betaling van het geheel aan te spreken. De schuldeiser kan er ook voor kiezen om hiervoor beide vennootschappen tezamen aan te spreken. Daarbij geldt dat betaling door één van de schuldeisers de medeschuldenaar voor dat bedrag bevrijdt. Indien een schuldeiser echter met één van de hoofdelijk verbonden schuldenaars een schikking treft, betekent dit niet automatisch dat de schuldeiser haar vordering (voor het oorspronkelijke bedrag) op de andere schuldenaar verliest. De schikking vermindert slechts de schuld van laatstgenoemde schuldenaar met het bedrag dat in het kader van de schikking wordt betaald.

Conclusie
Van belang is dus dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij een zelfstandige (eigen) verbintenis ten opzichte van de schuldeiser is. Een schikking tussen de dochtervennootschap en de schuldeiser raakt de verhouding tussen moedervennootschap en schuldeiser dus slechts voor zover er betaling van (een deel van) de schuld aan de schuldeiser plaatsvindt. Een afspraak tot finale kwijting tussen een schuldeiser en een dochtervennootschap bevrijdt de moedervennootschap niet van haar schuld.

Gezien het voorgaande is het van belang dat ondernemers zich goed laten adviseren alvorens zij een schikking treffen indien er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarnaast is het raadzaam dat er een heldere concernverhouding bestaat, waarin de ondernemer goed zicht heeft op de manier waarop de verschillende vennootschappen aansprakelijk zijn voor eventuele schulden van andere vennootschappen in het concern en welke afspraken over deze schulden worden gemaakt.

Mocht u over het bovenstaande vragen hebben, dan kunt u uiteraard contact opnemen met ondergetekende of met de andere specialisten van de vakgroep Vennootschapsrecht van Bierman Advocaten.

R.J. van der Hauw
Vakgroep Vennootschapsrecht
hauw@bierman.nl

[1] HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837