Kredietopzegging door banken: hoe zit het ook alweer?

Gepubliceerd op 20-02-2014

Kredietopzegging door banken komt, mede door de huidige economische omstandigheden, met enige regelmaat voor. Doorgaans hebben alle (professionele) banken op grond van de kredietovereenkomst en de op deze overeenkomst toepasselijke bankvoorwaarden de mogelijkheid een krediet per direct op te zeggen. Dit kan de bank bijvoorbeeld doen wanneer de kredietnemer niet tijdig rente of aflossing betaalt, de waarde van de zekerheden aanmerkelijk daalt of zich andere zogenaamde ‘events of defaults’ voordoen.  

Hoewel banken dus doorgaans de mogelijkheid hebben het krediet op te zeggen bij een ‘event of default’, betekent dit niet dat zij bij de opzegging alle vrijheid hebben. De bank is hierbij aan bepaalde regels gebonden.

Zo blijkt uit vaste rechtspraak dat een bank uit hoofde van haar maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht heeft. Deze heeft zij niet alleen jegens haar cliënten maar ook jegens derden. Hoever deze zorgplicht reikt hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. In het geval van beëindiging van een krediet moet worden voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de opzegging in verhouding moet staan met de wanprestatie van de kredietnemer en dat de bank alleen mag opzeggen als er geen andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn.

In de rechtspraak zijn een negental gezichtspunten ontwikkeld die van belang kunnen zijn voor de vraag of de opzegging aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. Enkele van deze gezichtpunten zijn:

  • een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico;
  • het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer alsmede de mate waarin en de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie relevante omstandigheden;
  • of en in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten (bijvoorbeeld door (structurele en/of ruime) overschrijding van de kredietlimiet);
  • de kans dat de onderneming van de kredietnemer, al of niet na reorganisatie of doorstart, zal overleven en de mate waarin de kredietnemer een reorganisatie heeft opgestart;
  • welke termijn de kredietnemer krijgt om een andere (huis-)bankier te zoeken en welke ernstige financiële problemen voor de kredietnemer (zullen) ontstaan indien hij zijn financieringsbehoefte niet op korte termijn elders kan onderbrengen.

Kort gezegd komt het hierop neer dat – in het kader van de zorgplicht – bij de opzegging van een krediet in ieder geval de volgende drie aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:

  • bestaat er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van het krediet?
  • heeft de bank zich gehouden aan een gepaste procedure en een behoorlijke besluitvorming?
  • is er een redelijke opzeggingstermijn in acht genomen?
     

Als de bank bij het opzeggen van een krediet in strijd handelt met de zorgplicht die zij in acht moet nemen kan zij mogelijk toerekenbaar tekortschieten en/of onrechtmatig handelen. In de rechtspraak zijn tal van voorbeelden te vinden waarin de bank de vereiste zorgplicht niet in acht had genomen. Voor de bank is het derhalve raadzaam zorgvuldig te werk te gaan bij het opzeggen van kredieten. Voor zowel consumenten als ondernemers die geconfronteerd worden met een kredietopzegging is het verstandig om te laten toetsen of de opzegging de vereiste (zorgvuldigheids)toets wel doorstaat!

Mr. S.M. van Oirschot
Vakgroep Financiering, Zekerheden & Bankrecht
oirschot@bierman.nl