De normerende werking van de WNT in ontslagzaken: de billijkheid biedt uitkomst?!

Gepubliceerd op 23-12-2013

Voor de arbeidsrechtjuristen was 2013 een interessant jaar. De ontwikkelingen rond de invoering van een nieuw ontslagrecht, de versobering van de WW en de positie van de flexwerker zijn onderwerpen waarover in menig krant en (vak)tijdschrift geschreven is. In deze bijdrage ga ik in op de Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Deze sinds 1 januari van dit jaar geldende wet heeft voor bestuurders van (semi)publieke instellingen grote gevolgen. In het kort beperkt de WNT namelijk de hoogte van de beloningen en ontslagvergoedingen voor deze categorie werknemers.

Dit jaar heeft een aantal rechters zich uitgesproken over de vraag in welke mate zij rekening houden met de WNT bij het bepalen van de hoogte van ontbindingsvergoedingen in ontslagzaken. Illustratief is een beschikking van de rechtbank Limburg d.d. 6 december 2013 (ECLI:NL:RBLIM:2013:9733). Deze uitspraak geeft namelijk een goed beeld op welke wijze kantonrechters op dit moment met de WNT rekening houden.

 

Feiten
De rechtbank Limburg moest zich buigen over een ontbindingsverzoek van een vestigingsdirecteur, die in dienst was bij een woningcorporatie in het zuiden van het land. De corporatie had in verband met een reorganisatie de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst van deze directeur te ontbinden. Het bestuur had in dat verband besloten de functie van de werknemer te laten vervallen. Omdat de vestigingsdirecteur arbeidsongeschikt was, moest de corporatie noodzakelijkerwijs de ontslagroute via de kantonrechter volgen.

De vestigingsdirecteur voerde uitgebreid verweer tegen het ontbindingsverzoek. Een belangrijk argument van de werknemer was dat hij ernstig twijfelde of zijn dienstverband daadwerkelijk beëindigd moest worden. Hij verwees hierbij naar zijn collega-vestigingsdirecteur van wie de functie eveneens was komen te vervallen. Deze werknemer had in tegenstelling tot de vestigingsdirecteur wél een ander (passende) functie aangeboden gekregen en kon dus bij de woningcorporatie in dienst blijven.

Om die reden meende de werknemer dat het ontbindingsverzoek primair moest worden afgewezen. Indien de kantonrechter toch zou besluiten de arbeidsovereenkomst te ontbinden, diende aan de vestigingsdirecteur een ontslagvergoeding op basis van de kantonrechtersformule (factor C=1,5) te worden toegekend.

De woningcorporatie stelde daarop dat een dergelijke vergoeding buiten iedere proportie was. De corporatie meende daarbij dat de vestigingsdirecteur gezien moest worden als een "topfunctionaris" in de zin van de WNT. Voor zover de kantonrechter een ontslagvergoeding aan de werknemer zou toekennen, diende op grond van deze wet de hoogte ervan tot € 75.000,= bruto te worden gemaximeerd. In art 2.10 lid 1 WNT is namelijk het volgende vermeld:

"Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75.000,=."

 

Beoordeling
De kantonrechter kwam tot het volgende oordeel. Allereerst overwoog de rechter dat uit de WNT en de wetsgeschiedenis volgt dat de maximering van ontslagvergoedingen "slechts" van toepassing is wanneer partijen de hoogte ervan zijn overeengekomen. Strikt genomen betekent dit dat rechters (in beginsel) niet gebonden zijn aan de "aftopping" van ontbindingsvergoedingen bij bestuurders van (semi)publieke instellingen. Desalniettemin hield de rechter in deze kwestie wel rekening met de WNT. In juridische spreektaal paste hij de zogenaamde "reflexwerking" toe. De kantonrechter bevestigde hiermee eerdere uitspraken van zijn collega’s uit Breda (JAR 2013/166), Rotterdam (JAR 2013/293) en Eindhoven (2013/289). Ook zij hielden namelijk rekening met de WNT bij het vaststellen van de ontslagvergoeding.

Vervolgens moest de kantonrechter de vraag beantwoorden of de werknemer wel een "topfunctionaris" in de zin van de WNT was. Hoewel de vestigingsdirecteur tijdens de zitting gemotiveerd stelde dat hiervan geen sprake was, oordeelde de rechter anders. Weliswaar was de directeur niet belast met de dagelijkse leiding van de gehele organisatie van de woningcorporatie; wel had hij in belangrijke mate een stem bij besluiten die van invloed waren op de gehele organisatie. Op basis hiervan oordeelde de rechter dat de werknemer als topfunctionaris onder de reikwijdte van de WNT viel.

De rechter ontbond de arbeidsovereenkomst en kende de vestigingsdirecteur een ontbindingsvergoeding van
€ 125.000,= bruto toe. Hiermee week hij van de gemaximaliseerde vergoeding uit de WNT af. Als "escape" gebruikte de kantonrechter het billijkheidscriterium van artikel 7:685 BW. Een belangrijk argument voor de kantonrechter om van de maximering van € 75.000,= af te wijken was dat de woningcorporatie tijdens de zitting niet duidelijk had kunnen maken waarom de collega-vestigingsdirecteur wel een passende functie aangeboden had gekregen en de werknemer in kwestie niet. Op basis hiervan was het billijk de vestigingsdirecteur een hogere vergoeding toe te kennen dan de WNT maximaal toestaat.

 

Conclusie
De beschikking van de kantonrechter bevestigt in lijn met eerdere uitspraken dit jaar dat de WNT in ontbindingsprocedures wel wordt meegewogen bij het vaststellen van de hoogte van ontbindingsvergoedingen. Desalniettemin hebben bestuurders van (semi)publieke instellingen naar mijn mening wel degelijk argumenten zich hiertegen te verzetten. Allereerst zal er grondig moeten worden gekeken of de bestuurder wel een topfunctionaris is alvorens een werkgever überhaupt een beroep op de WNT kan doen.

Wanneer de WNT wel van toepassing is, bestaan er voor de bestuurder alsnog mogelijkheden via het billijkheidscriterium van artikel 7:685 BW een hogere vergoeding in rechte af te dwingen dan het maximum van
€ 75.000,=. Uiteraard zullen de feiten en omstandigheden van het geval hierbij in belangrijke mate een rol spelen.

Al met al hoeven bestuurders van (semi)publieke instellingen dus niet per definitie te vrezen dat kantonrechters zich altijd gebonden achten aan de grens van € 75.000,=. In 2014 zal de rechtspraak zich op dit punt ongetwijfeld verder uitkristalliseren. De leden van onze sectie zullen de ontwikkelingen rondom de WNT dan ook nauwlettend in de gaten houden!

Mr. G.W. Rouwet
Vakgroep Arbeidsrecht
rouwet@bierman.nl